vrijdag 24 mei 2019

‘Stadregio's zijn het werkbare antwoord op de Belgische onbestuurbaarheid’

Welkom in België anno 2019. We hebben zes regeringen, zes parlementen en onmogelijk veel bestuursniveaus. Onze hoofdstad bestaat uit 19 gemeentes, zes politiezones en meer dan 1000 politici (bron). We hebben onze ruimte en bestuur zodanig versnipperd dat volgens Eurostat (bron) slechts 1% van Vlaanderen nog platteland is en men 900 pagina’s nodig heeft om de federale bevoegdheden te ontwaren (bron). Welkom in België waar iedereen bevoegd is, maar niemand nog het overzicht heeft.

Kan het niet eenvoudiger? Op basis waarvan kan je een land als België organiseren om het hoofd te bieden aan de uitdagingen van vandaag en morgen? Het antwoord schuilt volgens ons in de stadsregio’s. Succesvolle steden over heel Europa passen het concept van stadsregio’s toe en de meeste Belgische partijen zijn er zelfs voor te vinden (bron). Maar wat is een stadsregio precies?

Een stadsregio is een autonome schaal van bestuur die bestaat uit een centrumstad en zijn omliggende streek. Een gebied waarin het gros van onze dagelijkse activiteiten en verplaatsingen plaatsvinden. Denk aan het woon-werkverkeer, de sportclub of het winkelen. Sinds mensenheugenis, over alle landen en culturen heen, verplaatsten we ons ongeveer anderhalf uur per dag (bron). Het kruispunt van deze verplaatsingen zijn we steden beginnen te noemen. Deze ontstonden op ruwweg 25km van elkaar als gevolg van de afstand die een middeleeuwse handelaar op een dag kon afleggen. Het zijn daarom onze bakens van cultuur, economie en mobiliteit die onlosmakelijk verbonden zijn met hun streek. Op deze manier kan je heel België indelen in een reeks stadsregio’s (bron).

Maar waarom zouden we dat doen? Wel, omdat het de schaal is die dicht genoeg staat bij de burger, en tegelijk voldoende bestuurskracht en expertise heeft om uitdagingen rond mobiliteit, economie en huisvesting aan te pakken. Dat bewijst bijvoorbeeld het succes van Freiburg, dat heel vroeg inzette op een stadsgericht openbaar vervoernetwerk als ruggengraat voor woonontwikkeling in de omliggende gemeenten. Het resultaat zijn vrijwel autovrije wijken als Vauban, een sterkere lokale economie en een reductie met bijna 50% van zijn CO2-uitstoot (bron).

Of neem nu de Zwitserse kantons. Deze zijn even groot als onze stadsregio’s, en hebben alle bevoegdheden om in te spelen op de regionale kansen en uitdagingen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat drie Zwitserse steden de mondiale top 10 voor levenskwaliteit (bron) halen en Zwitserland vorig jaar nog de meest competitieve economie ter wereld was (bron).

Maar ook in België zijn er in de voorbije 30 jaar al enkele light versies van stadsregio’s ontstaan dankzij fusies of intercommunales. De aanzet komt meestal vanuit mobiliteitsvraagstukken of energiedistributie om vervolgens ook wonen of ruimtelijke ordening samen aan te pakken. Denk maar aan de Intercommunale Leiedal in Kortrijk, het Gewestelijk Expresnet in Brussel of de Stadsregio Turnhout. Dat laatste staat dankzij breed gedragen lokale projecten en een kort-op-de-bal beleid dicht bij haar inwoners (bron). Zo gaat de stadsregio bijvoorbeeld de sociale isolatie van ouderen tegen door de inplanting van rusthuizen regionaal te bepalen (bron) en moedigt het de lokale handel aan door nieuwe supermarkten te weren (bron).

Kortom, stadregio's zijn het werkbare antwoord op de Belgische onbestuurbaarheid. Maar hoe moet het dan verder? Betekent dit dat de gewesten, gemeenschappen en de provincies op de schop moeten? Op termijn wel, maar dat is een geleidelijk proces. De stadsregio’s kunnen de plaats innemen van de provincies, met het behoud van een deel van de provinciale bestuursinfrastructuur, die al in de centrumsteden zit. Daarna zouden ook de gewestelijke bevoegdheden overgeheveld worden tot we uiteindelijk slechts drie bestuursniveau’s hebben: nationaal, stadsregionaal en gemeentelijk. Elk met verantwoordelijkheden op maat van hun uitdagingen.

Hopelijk is België anno 2050 niet langer het land van 2019. Maar een land waar onze steden over voldoende hefbomen beschikken om hun wooncrisis onder controle te krijgen zoals Wenen dat deed dankzij sociale huisvesting. Waar, zoals in Nederland, één performant openbaar vervoernetwerk de ruggengraat vormt voor ruimtelijke groei. Waar pragmatisch en echt democratisch korte keten-bestuur bestaat zoals in de Zwitserse kantons. Waar we aantrekkelijke binnensteden krijgen als Kopenhagen of Zurich. En vooral waar we meer doen met minder door samen te werken op de juiste schaal.

Andriy Bruyninckx is burgerlijk ingenieur-architect gespecialiseerd in ruimtelijke studies naar herbestemmingen en mobiliteit.

Cyrus Bohn is lid van de Vrijdaggroep en burgerlijk ingenieur-architect van opleiding. Voor hij aan de slag ging als consultant, werkte hij voor UN Habitat in New York.